New York, 28 november 1953. Hotel Statler, kamer 1018A.
Frank Olson ligt op het bed, zijn ogen halfopen maar niet gefocust. Hij probeert te spreken, maar zijn gedachten vallen uiteen. Hij weet niet meer wat echt is. Tien dagen eerder kreeg hij zonder zijn toestemming LSD toegediend, en sindsdien voelt de wereld als een slecht afgestelde lens.
Aan de andere kant van een doorkijkspiegel zit George Hunter White. Niet in een laboratorium, niet in een CIA-gebouw — maar in een hotelkamer met een martini naast zich en een notitieboek op schoot. Zijn blik is zakelijk, niet bezorgd. Hij observeert. Noteert. Wacht.
White had dit geregeld. Toen Olson psychotisch begon te worden na het LSD-experiment op Deep Creek Lodge, had de CIA hem gebeld — volgens latere reconstructies was White een van de weinigen die dit soort “complicaties” discreet kon afhandelen. White bracht Olson naar New York, installeerde hem in dit hotel, en nam zijn vertrouwde positie in: observerend, controlerend, afwachtend.
In de kamer naast hen zit Robert Lashbrook, de CIA-wetenschapper die Olson officieel naar New York begeleidde voor psychiatrische hulp. In werkelijkheid is hij hier om te zorgen dat Olson nergens heen gaat. Het is laat. Olson praat in flarden. Hij zegt dat hij bang is. Dat hij denkt dat hij “door de muur zal vallen.”
Een paar uur later valt hij echt. Uit het raam. Negen verdiepingen naar beneden.
Voor de CIA wordt het een crisis. Voor George White wordt het een pagina in zijn dossiers.
En voor ons is dit het begin van het verhaal van de man die vaker achter een spiegel zat dan waar iemand ooit toestemming voor gaf.
George Hunter White drogeerde burgers, runde bordelen voor de CIA en observeerde mannen achter doorkijkspiegels terwijl zij zonder het te weten LSD kregen toegediend. Hij was geen rotte appel — hij was een gewaardeerde ambtenaar met een vast salaris. Dit is het verhaal van de man die MK-Ultra uitvoerde, en van het systeem dat hem de ruimte gaf.
Wie Was George Hunter White Eigenlijk?
George Hunter White was geen wetenschapper. Geen ideoloog. Geen theoreticus die geloofde in een hogere missie.
Hij was iets gevaarlijkers: een pragmaticus die genoot van zijn werk.
Fysiek was hij imposant — een grote, brede man met een krachtige stem en een agressieve uitstraling. Collega’s beschreven hem als iemand die een kamer binnenkwam alsof hij die al bezat. Hij dronk veel, rookte constant, had een voorliefde voor dure pakken en een reputatie met vrouwen.
Psychologisch was hij een raadsel en tegelijk geen raadsel. White leek compleet vrij van zelftwijfel. In zijn dagboeken, brieven en memo’s zie je geen spoor van morele worsteling. Hij schreef over zijn experimenten met dezelfde toon als waarmee anderen over hun vakantie schrijven: luchtig, zelfverzekerd, soms bijna opschepperig.
Toen hij eens werd gevraagd of hij zich zorgen maakte over de ethische kant van zijn werk, schreef hij aan een collega: “Zorgen maken is voor priesters en zenuwpatiënten. Ik los problemen op.”
Die houding — praktisch, grensoverschrijdend, onverstoorbaar — maakte hem ideaal voor MK-Ultra. Maar het maakte hem ook iets anders: een man die nooit wakker lag van wat hij anderen aandeed.
En thuis? White had een vrouw. Hij had een huis in Californië. Hij betaalde zijn hypotheek met belastinggeld en ging met kerst op bezoek bij familie.
Wat hij precies aan zijn echtgenote vertelde over zijn werk, weten we niet. Maar we weten wel dat zij na zijn dood een kist vol dagboeken vond waarin stond wat hij deed. Haar reactie is nooit gedocumenteerd. Misschien wist ze het al. Misschien wilde ze het niet weten.
White was het type man dat twee levens kon leiden zonder dat ze elkaar raakten. Overdag drogeerde hij mensen zonder toestemming. ’s Avonds at hij aan tafel en deed alsof het een normale kantoorbaan was.
Dat vermogen tot scheiding — tussen werk en thuis, tussen actie en consequentie, tussen doen en voelen — was misschien zijn meest angstaanjagende eigenschap.
De Vorming van een Uitvoerder — FBN, OSS en de Leerschool van Grenzeloosheid
White begon zijn carrière in de Federal Bureau of Narcotics in de jaren ’30. Hij werkte undercover in drugsnetwerken, Chinese triades en jazzscenes. Hij leerde liegen. Hij leerde manipuleren. En hij leerde dat de regels alleen golden voor mensen die zich er iets van aantrokken.
Een anekdote uit 1938 illustreert dit: tijdens een undercoveroperatie in een opiumnetwerk rookte White zelf mee om zijn cover te behouden. Toen een collega hem waarschuwde, antwoordde hij: “Ik bepaal wanneer ik stop, niet de drug.” Hij stopte inderdaad — maar het incident toonde zijn kernovertuiging: dat hij boven de risico’s stond die anderen raakten. Die arrogantie zou zijn hele carrière bepalen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog stapte White over naar de OSS, de voorloper van de CIA. Daar trainde hij agenten in sabotage, moord en verhoor. En daar deed hij mee aan zijn eerste experimenten met truth drugs — vooral cannabis en mescaline.
De opzet was simpel: drogeer iemand zonder dat ze het weten, en kijk of ze geheimen prijsgeven.
White deed dit met gevangenen, met overlopers, met mensen die niet begrepen wat er met hen gebeurde. Hij noteerde hun reacties met dezelfde afstandelijkheid waarmee een botanist een plant bestudeert.
Eén memo uit die tijd laat zijn methode zien:
“Subject kreeg zes joints aangeboden tijdens verhoor. Na drie joints begon hij te praten. Na vijf raakte hij in paniek en noemde namen. Conclusie: effectief, maar geen garantie op waarheid.”
Alleen observatie. Geen empathie.
Toen de oorlog voorbij was, keerde White terug naar de FBN. Maar hij had een smaak te pakken gekregen. Een smaak voor het experiment. Voor het grensgebied tussen wetenschap en sadisme.
En in 1951 belde iemand die dat ook had: Sidney Gottlieb.
Gottlieb en White — De Wetenschapper en de Beul
Sidney Gottlieb had briljante ideeën en geen scrupules. George White had geen ideeën, maar wel de bereidheid om alles uit te proberen.
Samen waren ze de kern van MK-Ultra.
Hun eerste ontmoeting was geen formeel sollicitatiegesprek. Gottlieb had Whites dossier gelezen — OSS-rapporten, FBN-evaluaties, memo’s over drug-experimenten. Hij zag niet een problematische agent, maar een oplossing.
Hij nodigde White uit in Washington. Ze spraken over LSD, over operationele mogelijkheden, over wat er gedaan moest worden. Gottlieb stelde theorieën op. White vertaalde die naar praktijk.
Op een gegeven moment vroeg Gottlieb: “Kun je dit in het echt testen? Buiten het lab?”
White glimlachte. “Geef me een budget en ik regel het.”
De dynamiek tussen hen was fascinerend.
Gottlieb was de architect. Hij bedacht protocollen, stelde hypotheses op, wilde data. Hij geloofde oprecht dat dit wetenschappelijk werk was — omstreden misschien, maar noodzakelijk.
White was de uitvoerder. Hij gaf geen reet om hypotheses. Hij wilde zien wat er gebeurde als je mensen drogeerde, als je ze observeerde, als je hun grenzen testte. Voor hem was het geen wetenschap. Het was veldwerk. Onderzoek naar menselijk gedrag op het scherpst van de snede.
Gottlieb gaf White een zeldzame vrijheid.
Geen protocollen die gevolgd moesten worden. Geen toezicht van supervisors. Geen ethische commissies.
White mocht zijn eigen locaties kiezen, zijn eigen medewerkers inzetten, zijn eigen budget beheren. In ruil daarvoor leverde hij rapporten — kort, bondig, en meestal vaag genoeg om onthulling te vermijden.
Gottlieb wist wat White deed. Hij wist van de appartementen, van de sekswerkers, van de martini’s achter de spiegel. Maar hij greep niet in. Misschien vond hij het effectief. Misschien vond hij het ongemakkelijk maar noodzakelijk.
Of misschien kon het hem simpelweg niet schelen.
En White?
Die schreef in zijn dagboek, jaren later: “Sid gaf me de sleutels tot het koninkrijk. Ik heb ze gebruikt.”
Poisoner in Chief onthult het verbijsterende leven van Sidney Gottlieb, de man achter de geheime MK-Ultra-experimenten van de CIA. Terwijl hij in stilte een netwerk van LSD-tests, gifprojecten en clandestiene bordelen aanstuurde, leefde hij zelf als een spirituele kluizenaar in een hut zonder stromend water. Stephen Kinzer reconstrueert dit schokkende dubbelleven met nieuw onderzoek. Een adembenemend, waargebeurd verhaal dat leest als een thriller—en je laat twijfelen wat overheden werkelijk verbergen.
Download of beluister Poisoner in Chief en stap een wereld binnen waarin niets is wat het lijkt.
LET OP! Het boek is engelstalig
De Mentaliteit van de CIA in de Jaren ’50 — Het Systeem Achter de Man
White was geen gestoorde uitzondering. Hij was het product van zijn tijd.
De Koude Oorlog schiep een cultuur van existentiële urgentie. De CIA geloofde — deels foutief, deels gebaseerd op propaganda — dat de Sovjet-Unie experimenteerde met brainwashing en psychologische wapens. Als de USSR dit deed, moesten wíj het ook doen. Twijfel was gevaarlijk. Twijfel hielp de vijand.
Compartimentering was leidend principe. Operaties werden geïsoleerd. Weinig mensen wisten wat anderen deden. Toezicht was minimaal. Het idee: als je een agent vertrouwt, geef hem vrijheid. Als je hem niet vertrouwt, stuur hem niet het veld in.
En ethiek? Die was ondergeschikt aan effectiviteit. Er waren geen ethische richtlijnen voor MK-Ultra. Geen informed consent. Geen commissies die operaties toetsten op morele gronden. Wat werkte, was goed. Wat niet werkte, werd vervangen door iets anders.
In die cultuur was George White geen probleem. Hij was de oplossing.
Midnight Climax — White in Zijn Element
Gewapend met budget en carte blanche creëerde White zijn eigen laboratorium: Project Midnight Climax.
Hij huurde appartementen in San Francisco en New York. Richtte ze in als discrete bordelen — fluwelen banken, zachte verlichting, een goed gevulde bar. Installeerde doorkijkspiegels, verborgen microfoons en camera’s.
Hij rekruteerde sekswerkers via zijn politie- en FBN-contacten. Trainde ze: hoe klanten te lokken, drank aan te bieden, signalen te geven bij problemen.
En dan zat White zelf achter de spiegel. Met een martini. Met een notitieblok. Observerend wat LSD deed met mannen die dachten dat ze gewoon een avond uitgingen.
Dit was zijn domein.
Geen laboratorium met witte jassen. Geen academische omgeving met protocollen. Dit was wat White altijd had gedaan: mensen observeren op hun zwakste momenten, en daar gebruik van maken.
Hij noteerde alles. Wie er binnen kwam. Hoe ze reageerden. Wat ze zeiden. Of ze agressief werden, paranoia vertoonden, of juist te veel deelden.
In zijn dagboeken schreef hij over deze avonden met een mengeling van cynisme en enthousiasme:
“Fun, fun, fun. Waar ter wereld heeft een rode, bloedrijke Amerikaan de kans om voor zijn regering pooiers en madams in te huren, en een bordeel te runnen?”
Midnight Climax was voor hem geen experiment. Het was entertainment.
En dat is wat White zo angstaanjagend maakt.
Niet dat hij het deed. Maar dat hij er van genoot.
White en Olson — Het Scharnierpunt
Wanneer we terugkijken op de dood van Frank Olson, wordt één ding duidelijk: dit was geen individueel incident, maar een systeem in actie.
Olson, een wetenschapper van Fort Detrick, werd zonder zijn toestemming gedrogeerd tijdens een CIA-retreat op Deep Creek Lodge. Sidney Gottlieb was erbij. Robert Lashbrook was erbij. En toen Olson in de dagen daarna psychotisch begon te worden, belden ze George White.
Waarom White?
Omdat hij ervaring had met crisissituaties. Omdat hij discreet kon werken. En omdat hij niet in paniek zou raken als het fout ging.
White bracht Olson naar New York, installeerde hem in het Statler Hotel, en observeerde. Toen Olson door het raam viel — of geduwd werd, de discussie duurt voort — was White een van de weinigen die wisten wat er werkelijk gebeurd was.
Uit latere onderzoeken blijkt dat White in de uren na Olsons dood betrokken was bij de schadebeperking: gesprekken met Lashbrook, contact met Gottlieb, het construeren van een verhaal dat klopte. Een ongeluk. Een tragisch incident. Een man die uit balans was.
En White zelf?
Die noteerde het in zijn dagboek zoals hij alles noteerde: zakelijk, afstandelijk, zonder emotie.
Voor hem was dit geen moreel dilemma. Het was een operationele complicatie.
De nacht in het Statler Hotel toont hoe dicht experiment, onverschilligheid en tragedie bij elkaar lagen in het universum van MK-Ultra.
Een journalist die te diep groef. Een moordzaak die geen einde kent. En een overheid die opvallend vaak net buiten beeld blijft.
Wat begon als een simpel achtergrondartikel over de Manson-moorden veranderde voor onderzoeksjournalist Tom O’Neill in een twintig jaar durende nachtmerrie. Tijdens zijn research stuitte hij op documenten, getuigen en inconsistenties die één vraag onmogelijk maakten om te negeren:
Hoeveel wist de overheid werkelijk – en waarom wordt dat nog steeds weggestopt?
In Chaos duikt O’Neill in:
-
ongebruikelijke FBI- en CIA-belangen rond Manson en zijn kring
-
vreemde fouten van politie en justitie die te absurd zijn om toevallig te zijn
-
sporen die richting experimenten, infiltratie en ongeautoriseerde bemoeienis wijzen
-
de manier waarop klokkenluiders ineens veranderen in tegenstanders
Het resultaat is geen klassieke true crime, maar een verontrustende herlezing van een iconische zaak die nieuwe vragen oproept over staatscontrole en geheime operaties,
White’s Laatste Jaren — Trots Tot het Einde
George White ging met pensioen in 1966. Hij verhuisde naar Californië, naar een huis in Stinson Beach, en leefde verder als voormalig ambtenaar.
Toen in 1973 de eerste berichten over MK-Ultra naar buiten kwamen, volgde White het nieuws. Hij las over de commotie, de verontwaardiging, de eisen voor onderzoek.
Hij voelde geen spijt.
In brieven aan oude collega’s schreef hij dat hij trots was op zijn werk. Dat het nodig was geweest. Dat mensen die klaagden over ethiek simpelweg niet begrepen hoe de echte wereld werkte.
“We hebben gedaan wat gedaan moest worden. Ik zou het zo weer doen.”
White stierf in 1975, hetzelfde jaar dat de Church Committee begon. Hij ervaarde geen rechtszaak. Geen publieke veroordeling. Geen verantwoording.
Na zijn dood vond zijn vrouw een kist vol dagboeken, brieven en notities. De CIA had zijn officiële rapporten vernietigd — maar White had zijn eigen archief bewaard.
En dat archief verraadde hem.
Ironisch genoeg werden zijn dagboeken later gebruikt door onderzoekers, journalisten en Senaatscommissies. White had zelf de bewijzen geleverd die de CIA wilde laten verdwijnen.
Hij liet sporen achter omdat hij dacht dat hij iets belangrijks had gedaan. Hij had gelijk — alleen niet op de manier die hij dacht.
White als Spiegel van MK-Ultra — Reflectie
Was George White een ontspoorde agent?
Nee.
Hij was niet uniek. Hij was niet uitzonderlijk. Hij was precies wie de CIA in die tijd zocht: iemand die grenzen zag als voorstellen, niet als regels.
White was een symptoom, geen ziekte.
Het gevaar van MK-Ultra lag niet alleen in hem als persoon, maar in de organisatie die hem de ruimte gaf. Een cultuur die experimenteren boven ethiek plaatste. Een structuur waarin iemand als White kon floreren — en gewaardeerd werd.
Maar hier is de werkelijke vraag:
Hoeveel mensen moesten toekijken, goedkeuren, betalen en wegkijken opdat George White kon doen wat hij deed?
Niet één. Niet tien.
Honderden.
White zat achter de spiegel. Maar achter hem zat een heel systeem.
Van Midnight Climax naar Montreal: De Volgende Schakel
Tegen 1963 sloot White zijn laatste safehouse. De CIA concludeerde dat Midnight Climax te riskant was geworden — niet om ethische redenen, maar omdat de kans op ontdekking toenam. Bovendien leverde het niet de doorbraak op waar Gottlieb op had gehoopt.
Maar het einde van Midnight Climax betekende niet het einde van MK-Ultra.
Terwijl White zijn appartementen ontmantelde, was in Montreal al jarenlang een ander experiment gaande. Daar werden geen nietsvermoedende bezoekers gedrogeerd in een nagebootst bordeel. Daar werden patiënten — mensen die hulp zochten voor depressies en angsten — onderworpen aan experimenten die hun geest systematisch probeerden te vernietigen en opnieuw op te bouwen.
De locatie was geen anoniem appartement, maar een gerenommeerd psychiatrisch instituut.
De uitvoerder was geen undercoveragent, maar een gerespecteerde arts.
En de slachtoffers konden niet weglopen — ze waren opgenomen, afhankelijk en volledig overgeleverd aan iemand die zij vertrouwden.
Wat er in Montreal gebeurde, was nog wreder dan Midnight Climax.
HET MK-ULTRA DOSSIER
MK-Ultra (1) – Het verdwenen dossier
MK-Ultra (2): Hoe ‘brainwashing’ Amerika in de greep kreeg
MK-ULTRA (3): Sidney Gottlieb Mastermind Mindcontrol
MK-Ultra (4): Manipulatie met LSD, Hypnose & Controle
MK-Ultra (5) – Midnight Climax, Bordeeloperatie van de CIA
MK-Ultra (7) – De Experimenten, De Hel van Montreal
MK-Ultra (8): Het systeem achter de CIA-experimenten